8 april 1943

“Ik kreeg koorts en zag er vlekkerig-rood uit. Dus moest ik naar de roodvonk-barak. Kwam er in een waaruit even tevoren een ‘verdachte’ was overgebracht naar de andere kant van het scheidingsgordijn, omdat zij écht roodvonk had. Zonder te zijn verschoond of gedesinfecteerd, moest het bed mij weer dienen. Ik kreeg echter géén roodvonk. Wat ik wel mankeerde, daar kwam nooit iemand achter.”

(Oud-gevangene Carla van Lier, Schroeiplekken)