3 maart 1944

“…werd ik vanuit Rotterdam overgebracht met nog 12 andere gevangenen naar het Kamp Vught. We kwamen aan in de kleding waarin we gearresteerd waren, d.w.z. burgerkleding. Bij aankomst in het kamp mochten we met z’n allen enige uren met het gezicht naar de muur staan. Hoewel de verhoren in de gevangenis geen halleluja waren, begonnen nu de grofste vernederingen zich aan ons te openbaren. Streepjespakken kregen we met bijbehorende klompen, wat geen klompen waren maar rot aan de voeten zittende houten gevallen. Als Jehova getuige (…) kreeg ik een paarse driehoek met daarin een H, plus een nummer 9216 op mijn jas genaaid.”

(Oud-gevangene J. Wildschut)