24 juni 1944

“Een vrouw probeerde te vluchten en is verdronken. (…) Kon er absoluut niet tegen hier. Vreselijk zulke dingen. Vaak voel je jezelf zo schuldig. Dan vraag ik me af hadden wij, die er wel tegen kunnen niet beter op moeten letten. Hadden wij haar niet uit de put moeten halen. Een week geleden kwam ze bij S. en mij aan tafel zitten. Ze kletste wat, maar wij vonden het vervelend onwijs gedaas en maakten ons ervan af. (…) Achteraf denk je: ik had dieper moeten kijken, moeten zien hoe moedeloos ze was, moeten zien dat ze behoefte had aan iemand die haar er bovenop hielp en niet alleen moeten denken: bah, wat een vervelende oude zeur.”

(Oud-gevangene T. Wibaut-Guilonard)