20 augustus 1943

“…ik verlang zo verschrikkelijk naar huis. Als je het eind ziet naderen is het ongeduld groter. Hoorde dat E. nu ook dood is. Verschrikkelijk. We hadden allemaal zo gehoopt en eigenlijk ook op gerekend dat we hem tenminste terug zouden vinden, nu blijft ons niemand over van hen. We zijn er kapot van geweest…Wat kunnen we trots op ze zijn, Stuk voor stuk prachtkerels. Zoals E. toch ook na alle ellende weer door is gegaan met het werk. Ik ben blij dat ze hem tenminste niet meer met verhoren hebben kunnen pesten. De verhoren moeten nu verschrikkelijk zijn.”

(Oud-gevangene T. Wibaut–Guilonard)