2 mei 1943

“Vanmorgen moesten mensen stenen sjouwen en werden daarbij geslagen. Ik sprak hier ook Kurt, een kleermaker uit Berlijn, die drie jaar tuchthuis had en vijf jaar Konzentrationslager. Hij was bij het crematorium in Sachsenhausen en had vijftig opdrachten per dag. Hij vertelde hoe hij als gewone Häftling gejaagd werd onder, op, over tafels en kasten, uren lang, vluchtend steeds maar voor het lieve lijfsbehoud (…) Medelijden heeft men niet meer; als je je kameraden naast je van honger ziet sterven, geef je ze geen boterham (…) Nu is echter alles anders geworden: je moet je omstellen, want nu ben je met vrouwen en kinderen in één kamp. Hij is dan ook erg goed voor de kinderen en steelt levensmiddelen voor ze.”

(David Koker, Dagboek geschreven in Vught)