A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W Z

Coolsma, Constant Willem

Geboren in Groningen op 21 januari 1911
Omgebracht in Kamp Vught op 18 augustus 1944, 33 jaar

In juli 1940 trouwt Constant Coolsma met Bouwina Wieringa. In maart 1942 wordt hun zoon geboren, Foppe Sierk Coolsma; roepnaam Fop.

Over het leven van zijn vader schrijft Fop het volgende verhaal:
“Directe herinneringen aan hem heb ik niet. Ik was tweeëneenhalf jaar oud toen mijn vader in Vught werd gefusilleerd. Wat ik heb zijn veel foto’s; er is er een waarop hij staat met mij op zijn knie. Ik heb er vaak naar verlangd dat moment bewust te kunnen herbeleven om herinneringen te hebben aan deze persoon-in-leven: gebaren, het geluid van zijn stem. Veel heb ik daarna over hem gehoord – genoeg om zijn naam meer inhoud te geven.

Constant Willem Coolsma werd op 21 januari 1911 in Groningen geboren als derde zoon van Constant Willem Coolsma en Theodora Hermina van Sijn. Na hem zou er nog een dochter worden geboren.

Predikant

Mijn beide grootouders waren Rotterdammers, mijn grootvader was predikant van de Nederlands Hervormde Kerk in Dubbeldam en werd daarna in Groningen beroepen. De Groninger Hervormde gemeente heeft hij tot aan zijn emeritaat als predikant gediend, daarna heeft hij gewerkt als gevangenispredikant. Ook woonde hij als geestelijk verzorger de processen tegen oorlogsmisdadigers bij en heeft hen begeleid, soms tot aan hun dood voor het executiepeloton. Mijn vader was dus domineeszoon in een provincieplaats. Dat betekende in die tijd dat veel mensen wisten wie hij was. Daarbij was grootvader Coolsma iemand die zijn licht niet onder de korenmaat verborg: hij was een alom bekende en geziene figuur in Groningen en omgeving.

Buitenbeentje

De beide oudste zoons kozen het beroep van hun vader, de dochter trouwde met een predikant. Wat dat betreft was mijn vader een buitenbeentje. Hij maakte het gymnasium niet af en bleef lang aarzelen wat hij zou gaan doen. Hij bezocht “de Autoschool” in Driebergen, maar zijn vader vond de autohandel geen geschikt milieu voor hem; zo ging dat in die tijd. Hij wilde sportleraar worden, maar een sportblessure verhinderde dat. Hij kwam “op kantoor” terecht, “voorlopig” zoals hij zelf en iedereen dacht. Eerst deed hij administratief werk bij een kerkelijk bureau en was, toen hij in 1940 met mijn moeder trouwde, “Schrijver bij de Gemeentepolitie te Groningen”. Als “Schrijver” moeten ze aan hem een goeie hebben gehad: hij had een prachtig, regelmatig en zeer karakteristiek handschrift.

Motor

Mijn vader was sportief, hij speelde fanatiek hockey, was een gedreven schaker, en maakte de straten van Groningen onveilig op een Harley Davidson-met-zijspan. De verhalen luiden dat hij probeerde de politie achter zich aan te krijgen en er dan voor te zorgen als eerste over de gemeentegrens te komen. De gemeentelijke politiezorg was toen nog niet gemeentegrens overschrijdend. Soms ging het ook verkeerd. Hij liep dan een tijdlang met bijvoorbeeld zijn hoofd in verband rond. Mijn grootmoeder had tegen hem gezegd: “Zo gauw jij een meisje hebt wil ik dat je die motor weg doet, ik wil niet dat zij altijd in dezelfde angst moet zitten als ik”. Toen hij dan ook thuis vertelde dat hij zijn motor had verkocht wist iedereen wat er aan de hand was.

Duitse literatuur

Naast sportief was hij een zeer erudiet man, gezien de vele boeken die hij heeft nagelaten. Hij was kennelijk zeer Germanofiel: veel Duitse literatuur, in het Duits. De verzamelde werken van Goethe en Schiller, werk van onder meer Herman Hesse, Stefan Zweig, Thomas Mann, Kurt Tucholsky. Maar ook de anti-Hitler biografie van Konrad Heiden en het roemruchte boek van Hermann Rauschning: ‘Die Revolution des Nihilismus’ waarin deze het nationaalsocialisme als een vorm van nihilisme duidde. Later las ik dat de Duitsers in de bezette gebieden speciaal zochten naar die biografie van Heiden om die in beslag te nemen en te vernietigen. Ons exemplaar moet goed verstopt zijn geweest, tijdens huiszoekingen is hij nooit gevonden.

Politiek bewust

Hij was zeer politiek bewust, getuige de aantekeningen in die boeken. Hij wist wat er te gebeuren stond. In één van die boeken staat in het handschrift van mijn grootvader: “Dit heeft Conny – mijn vader – beter gezien dan ik”. Mijn grootvader deed veel voor Joodse vluchtelingen uit Duitsland en wist dus ook heel goed wat daar gebeurde. Verder hield hij van muziek, zijn 78-toeren platen heb ik nog steeds. Veel Bach. Hij fotografeerde veel, had altijd een kleine camera op zak. Die heb ik ook nog altijd, mijn babyfoto’s zijn daarmee gemaakt.

Hulp aan joden

In juli 1940 trouwde hij met Bouwina Wieringa, mijn moeder. De oorlog was toen net begonnen. Hij wist wat dat betekende en kwam haast vanzelf in het verzet. Door zijn werk bij de politie kreeg hij lijsten onder ogen met namen van Joden die zouden worden opgehaald. Hij fietste de mensen af om ze te waarschuwen. De volgende stap was onderduikadressen regelen. Soms vonden ze onderdak bij ons thuis. Dat kon nooit erg lang duren: we woonden twee hoog boven een beruchte politiechef. Er moesten ook bonkaarten worden geregeld en persoonsbewijzen worden vervalst. Zo ontstond een netwerk voor hulp aan joden. Die activiteiten werden de bezetter te gortig en Constant werd gezocht. Hij dook een tijdlang onder bij zijn broer in Sittard, die daar dominee was. Samen werkten zij daar in de ondergrondse. Uit bewaard gebleven brieven bleek hoe zeer Constant verlangde naar zijn vrouw en zoontje. In die tijd kocht hij een gipsen Madonna-met-kind, als herinnering aan die tijd. Pas 35 jaar later kwam dit beeld vanuit de studeerkamer van de Hervormde pastorie in Sittard naar het Noorden, gewikkeld in een handdoek in een weekendtas.

Verlovingsfoto

Op een foto, genomen op mijn eerste verjaardag in maart 1943 zit ik in een kinderstoel met de verlovingsfoto van mijn ouders in handen. Beiden waren zij elders: mijn vader zat ondergedoken en mijn moeder in de gevangenis. Ze hadden haar opgepakt, mede om mijn vader in handen te krijgen. Na een maand werd zij vrijgelaten. De afstand wordt Constant te veel en hij verhuist naar Delfzijl. Ondanks zijn vermomming wordt hij herkend – en verraden. Op 29 juni 1944 wordt hij opgepakt en opgesloten in het Huis van Bewaring in Groningen.

Psalm

Uit die tijd heb ik een zwart boekje met de Psalmen in een prachtige vertaling van Obbink. Daaruit las hij elke dag zijn medegevangenen een Psalm voor. Veertig jaar later ontmoette ik een medegevangene van mijn vader, Marius Roessingh. Hij vertelde mij hoeveel hij aan de gesprekken met mijn vader heeft gehad. Hoe ze elke dag een Psalm lazen, ook op het moment dat er iemand op transport ging. Hij was zeer ontroerd toen ik hem het boekje liet zien. Er stond nauwkeurig in bijgehouden wanneer iemand vertrok en welke Psalm was gelezen voor dat moment. Ook de naam van Marius Roessingh stond daarbij. Marius werd via Vught naar kampen in Duitsland getransporteerd.

Schaakproblemen

Op 9 en 10 augustus 1944 werd mijn vader verhoord op het beruchte Scholtenshuis aan de Grote Markt in Groningen, hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst – de SD. Hij zag kans via goede bewakers brieven naar buiten te smokkelen, sommige zijn op toiletpapier geschreven. Merkwaardig is dat hij in een van zijn brieven melding maakt van een aangenaam onderhoud dat hij heeft gehad met Lehnhof, de meer dan beruchte chef van de SD. Ze hadden het onder meer gehad over schaakproblemen. Dat deze Lehnhof ook met hem het slechtste voor had bleek toen hij op 16 augustus 1944 op transport werd gesteld naar Kamp Vught. Een onbekend gebleven dame schreef mijn moeder een brief. Zij had Constant ontmoet op het perron in Utrecht: hij maakt het goed en u hoeft zich niet ongerust te maken.
Twee dagen daarna, op 18 augustus 1944, werd Constant als gevangene van de SD gefusilleerd. Natuurlijk laat zo’n gebeurtenis diepe sporen na. Mijn moeder is nooit hertrouwd, wij vormden samen een soort rompgezin. Natuurlijk hebben we vaak gedacht aan hoe anders het geweest zou zijn als……

Ideale oom

Toen mijn grootmoeder in december 1946 stierf wist iedereen dat het met de dood van haar zoon te maken had. Zij heeft dat verlies niet kunnen verwerken. Mijn eigen drie kinderen had ik graag een grootvader gegund zoals hij ongetwijfeld zou zijn geweest. Mijn nicht Mien Coolsma maakte hem in de oorlog in Sittard mee als kind van een jaar of acht. Zij beschreef hem als een ideale oom, een flierefluiter die altijd kinderen aan zijn armen had hangen.

Vught

Vught heeft bij ons altijd een onaangename klank gehouden. Vanuit de vroegste tijd herinner ik mij briefjes van een familie, waarvan de naam mij tot mijn grote spijt is ontschoten. Zij schreven dan dat ze op de verjaardag van mijn vader bloemen bij zijn naamtafel hadden gezet. Zij moeten zich zeer nauw betrokken hebben gevoeld bij alles wat zich op die plek heeft afgespeeld. Wij waren en zijn hen dankbaar voor hun vertegenwoordiging op zijn verjaardag. Jaarlijks werden wij uitgenodigd voor de dodenherdenking. Op die momenten zijn mijn moeder en ik daar nooit geweest. Wel als we toevallig eens in de buurt waren. Uit die eerste jaren herinner ik mij zoektochten – totdat we de eerste bomen met de witte banden vonden. En dan die gang over dat terrein, in mijn herinnering pas later geasfalteerd. Dat -overigens prachtige – monument voor die heuvel was voor mij ook altijd de plek waar zijn levensweg letterlijk was doodgelopen. Pas in 1994 ontdekten wij bij toeval wat er na die schoten verder was gebeurd: in dat wat nu nog rest van het kamp. Daar heb ik ervaren hoe met emotie beladen herinneringen na een halve eeuw haast kunnen exploderen. Over die gebeurtenis heb ik destijds al iets geschreven.

Leitmotiv

Boven de uitnodiging tot het schrijven van deze necrologie staat als motto: Het feit van overleven verplicht. Ik heb daar lang over nagedacht. Misschien is dat voor mij, voor wie Vrijheid eigenlijk altijd Het Leitmotiv is geweest, wel de enige plicht geweest die mijn leven heeft gevormd. Het leven zo te leven zoals mijn vader dat, naar ik haast wel zeker weet, geleefd zou hebben. Hij was voor mij misschien meer een heilige dan een vader – dat kan ook niet anders. En zo is dit verhaal over mijn vader Constant Willem Coolsma ook een beetje mijn verhaal geworden.”

Fop(pe Sierk) Coolsma

Mijn moeder, Bouwina Coolsma-Wieringa, overleed op 15 maart 2006 te Ten Boer in de leeftijd van 90 jaar.