A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W Z

Benthem, Johannes Adrianus van

Jan van BenthemGeboren te Pangharepan op 3 september 1917
Omgebracht in Kamp Vught op 22 augustus 1944, 26 jaar

 

 

Jacob en Gesina Willemina van Benthem wonen in Pangharepan op Java, Nederlands Indië, als hun zoon Johannes Adrianus wordt geboren op 3 september 1917. Roepnaam Jan. De heer Van Benthem is zendeling en bewoont met zijn vrouw en kinderen een zendingspost. Na Pangharepan verhuist het gezin naar Cheribon, naar Soekaboemi en tenslotte naar Bandoeng, waar de heer Van Benthem directeur wordt van het internaat van het Christelijk Lyceum. In  1932 keert het gezin, dat vier kinderen telt, voorgoed naar Nederland terug. Jan is dan veertien jaar.

Harderwijk

In 1933 wordt Jans vader directeur van een internaat in Harderwijk. Jan gaat daar naar de gymnasiumafdeling van het Christelijk Lyceum en wordt lid van de hockeyclub. Als in 1940 de oorlog uitbreekt, vertrekt Jan samen met een vriend op een vissersbotter vanuit Harderwijk naar Amsterdam. Als sergeant mobilisatie-vrijwilliger wordt hij tewerkgesteld in een militaire apotheek in Gouda. In juni moet Jan schriftelijk eindexamen doen. Hij krijgt daarvoor twee dagen verlof. Een dag later wordt hij uit de dienst ontslagen; alle militairen gaan naar huis. Jan doet vervolgens mondeling eindexamen en slaagt. Het is zijn toekomstdroom terug te gaan naar Indië om daar een boekhandel op te zetten. Hij gaat een cursus volgen, en werken in een boekhandel in Apeldoorn.

Lies Poolen

lies poolen

Jan en Lies

Iedere dag gaat Jan met de bus van Harderwijk naar Apeldoorn. Met diezelfde bus gaat Lies Poolen vanuit Leuvenum – Staverden naar de Kweekschool voor Onderwijzeressen, ook in Apeldoorn. Samen hebben Lies en Jan op dezelfde middelbare school en hockeyclub gezeten. Toen hadden zij geen oog voor elkaar. Nu wel, ze raken verliefd. Op de 21ste verjaardag van Lies, 22 december 1941, verloven Jan en Lies zich. Groot feest. De toekomstdroom van Jan is nu ook de toekomstdroom van Lies.

In 1942 nemen de ouders van Jan een internaat in Zutphen over en verhuizen. De ouders van Lies verhuizen naar Ermelo. Jan gaat werken in een boekhandel in Amersfoort en Lies werkt als onderwijzeres bij haar vader op school. Al in november 1942 aanvaardt Jan een betrekking bij boekhandel Broese in Utrecht en gaat daar in pension. Nu Jan in Utrecht en Lies in Ermelo woont kunnen ze elkaar makkelijker bereiken. Tot hun grote vreugde hebben ze nu meer tijd om samen te musiceren, Jan speelt viool en Lies piano.

Onderduiken

In 1943 moet Jan onderduiken. In september vindt hij een geschikt adres in Groningen, bij “Zuster Jo”. Zuster Jo is echter Hessel van der Zee, leider van een verzetsgroep in Groningen waar Jan deel van gaat uitmaken. De K-groep. Hessel heeft als vermomming een verpleegstersuniform aan en lang blond haar. Het hoofdkwartier van de K-groep is gevestigd in een groot pand, Martinikerkhof nummer negentien, recht tegenover het beruchte Scholtenhuis. Op nummer negentien wonen Hessel, Femmie (zijn verloofde), Cees Smith, Frits Eyssink en Jan. Binnen de K-groep heeft Jan de taak geld rond te brengen naar gezinnen waarvan de man is ondergedoken, of vastzit in gevangenis of concentratiekamp. Dagelijks is hij daarvoor op pad. Tevens komt op nummer negentien de buit binnen van de overvallen op distributiekantoren. Die bonkaarten moeten zo snel mogelijk worden uitgezocht, geteld, verdeeld en weggebracht.

Koerierster

Lies logeert regelmatig in de weekenden en vakanties in Groningen. Zij werkt mee als koerierster. Inmiddels staat zij in Giessen-Nieuwkerk voor de klas en woont in bij de burgemeester. Daar komt maandelijks het landelijke politieblad binnen dat zij ongezien meeneemt naar Groningen. Belangrijke informatie voor de groep. Jan en Lies overwegen of Lies niet voorgoed naar Groningen kan komen; het verzetswerk wordt steeds intensiever. Zodra de oorlog is afgelopen gaan ze immers trouwen.

Pinksteren 1944

Als Lies met Pasen in Groningen logeert merkt ze dat er iets is veranderd. Jan vertelt haar dat de groep waarschijnlijk is geïnfiltreerd en dat ze worden geschaduwd. Drie weken daarna schrijft Jan in een brief dat hij is verhuisd en nu in pension is bij mevrouw Holthof en haar dochter, in de Riouwstraat. Hij woont daar onder zijn eigen naam als vertegenwoordiger van een farmaceutisch bedrijf en “getrouwd”. Daardoor kan Lies met Pinksteren bij Jan gaan logeren. Alles is anders geworden, het dringt heel goed tot Jan en Lies door dat de situatie zodanig is dat opgepakt worden onvermijdelijk lijkt. Jan en Lies spreken er op de laatste avond indringend over; hoe het leven verder moet gaan als één van tweeën er niet meer is. Zelfs de tekst van de rouwkaarten bespreken ze. Op Pinkstermaandag is het afscheid ernstig, en moeilijk.

Brief

Een week later, op 5 juni 1944, wordt Jan opgepakt, samen met Schelto Slotema – als laatsten van de groep. Lies krijgt geen brieven meer van Jan. Zij weet wat dat betekent en vertrekt naar Groningen om uit te vinden wat er is gebeurd. Ze gaat naar de fietsenwinkel van Slotema, wordt daar ondervraagd en weer vrijgelaten. Vervolgens gaat ze naar het laatste adres van Jan waar ze met Pinksteren is geweest. Daar hoort ze van de benedenburen dat in de kamer van Jan twee Duitsers van het Scholtenhuis zitten te wachten, en dat ook zij wordt gezocht. Nu weet Lies zeker dat Jan is opgepakt. Razendsnel trekt zij iets anders aan en verandert haar kapsel. Ze maakt dat ze wegkomt uit Groningen en gaat naar haar ouders in Ermelo. Lies duikt onder, eerst in Utrecht, daarna in Voorburg bij een oom en tante.

Bezoek

Intussen komt in Ermelo een smokkelbriefje van Jan uit de gevangenis. Bij de ouders van Jan in Zutphen komt een officiële brief van Jan, waarin hij schrijft dat zijn ouders toestemming kunnen krijgen om hem in het Huis van Bewaring te bezoeken. Lies gaat mee naar Groningen en een goede bewaker laat haar ook mee naar binnen gaan. Lies is erg zenuwachtig, zij wordt immers nog steeds gezocht. De kans Jan te zien wil zij echter niet voorbij laten gaan. Tien minuten mag het bezoek duren en geen van allen weet eigenlijk iets te zeggen. Een van de bewakers staat in een hoekje van de bezoekerscel. Nadat Jan afscheid heeft genomen van zijn vader en moeder nemen Jan en Lies afscheid. Hoewel het verboden is elkaar aan te raken geeft Jan Lies een zoen op haar voorhoofd. Zonder iets te zeggen kijken ze elkaar aan. Jan moet terug naar zijn cel.

Amersfoort

Op vrijdag 4 augustus komt ’s morgens weer een smokkelbriefje van Jan in Ermelo. Daarin staat: we worden morgen, vier augustus, op transport gesteld naar Amersfoort. Lies weet dat de trein om ongeveer half elf door Ermelo komt en rent zo hard als ze kan om die trein te zien. In de verte ziet ze de trein voorbij gaan. Ze weet ook dat familieleden vanuit Groningen met dezelfde trein meereizen om een glimp van de gevangenen op te vangen en besluit ook naar Amersfoort te gaan. Aan het eind van de dag ontmoet ze daar de zus van Hessel van der Zee en Jannie, de verloofde van Cees Smith. Met hen reist ze naar Groningen en logeert die nacht bij Jannie. Lies hoort alles over het transport – hoe de medereizigers mee lopen naar Kamp Amersfoort en ook, hoezeer Jan hoopte Lies nog even te zien. Het lukt Jan zijn regenjas aan de zuster van Hessel te geven – Lies neemt de volgende ochtend die jas mee naar huis. Daarin vindt ze een klein afscheidsbriefje, geschreven op een stukje wc-papier.

Vught

In Amersfoort worden de gevangenen mishandeld, Jan komt daar in de ziekenbarak terecht. Dat weet Jannie, de verloofde van Cees, die berichten heeft gehoord van vrijgelaten gevangenen. Al snel gaat de groep weer op transport, naar het concentratiekamp Vught. Daar komen ze in de bunker – de gevangenis binnen het kamp – terecht. Er komen geen berichten meer van Jan.
Inmiddels komen de geallieerde troepen steeds dichterbij. De hoop op een spoedig einde van de oorlog neemt toe. Op de fusilladeplaats nabij Kamp Vught worden dagelijks groepen mannen gefusilleerd, zonder dat er een proces aan vooraf gaat.

22 augustus 1944

Op die datum is Lies ’s avonds te gast op een verjaardagsbijeenkomst. Daar wordt naar Radio Oranje geluisterd. Lies voelt zich ineens helemaal niet goed, en het valt de andere gasten op. De hele avond blijft ze een beetje stilletjes, langzaam gaat het nare gevoel over.
Jan van Benthem, Hessel van der Zee, Cees Smith, Frits Eysink, Schelto Slotema en achttien andere mannen worden op 22 augustus 1944 om kwart over acht in de avond gefusilleerd.

September

Begin september is Lies in Zutphen, Jan is op 3 september jarig. Daar is men te weten gekomen dat Jan en de anderen naar Vught zijn overgebracht. Op twee september gaat Lies met Jans vader naar Vught om inlichtingen in te winnen. Ze komen niet verder dan het station ‘s-Hertogenbosch. De geallieerden zijn vlakbij. Verder reizen is niet mogelijk en informatie is niet te krijgen. Onverrichter zake gaan ze terug naar huis.
Eind september hoort Lies van Jannie uit Groningen dat de gevangenen zijn overgebracht naar Oraniënburg. Jan naar Duitsland…….

Verwarring

In mei 1945 is de oorlog voorbij. Iedereen probeert achter het lot van gevangen genomen verwanten te komen. In juli 1945 gaat Lies naar Groningen in de hoop iets te weten te komen over Jan en zijn lotgenoten. Ze logeert vier dagen bij de moeder van Hessel van der Zee. Ze spreekt verschillende personen die uit gevangenschap zijn teruggekeerd. Van hen hoort ze dat Jan samen met de anderen op 22 augustus is gefusilleerd.
Aansluitend reist Lies naar de ouders van Jan in Zutphen. Daar is zojuist een brief binnengekomen van het Rode Kruis dat Jan op 30 augustus is gefusilleerd.
De rouwkaart wordt verstuurd. Maar Lies blijft zitten met vragen rond 22 en 30 augustus. Ze denkt en hoopt dat Jan misschien toch naar Duitsland is vervoerd en nog terug kan komen. In oktober schrijft ze naar Vught, naar het Afwikkelingsbureau Concentratiekampen. Ze wil zekerheid. Dan krijgt Lies het officiële bericht dat door een Duitse ambtenaar van de Burgerlijke Stand in Kamp Vught een akte van overlijden is opgemaakt. Jan is op 22 augustus 1944 om 20.15 uur gestorven.

Officiële afscheidsbrief

Aan het eind van zijn officiële afscheidsbrief uit het Huis van Bewaring in Groningen schrijft Jan: “Wat er ook mag gebeuren, ik heb geen spijt van wat ik gedaan heb. Het was mijn plicht tegenover mijn Vaderland, en tegen het gruwelijke onrecht. Ik ben mij bewust dat er in het mensenleven leiding van Boven is.”

Wet op het Buitengewoon Onderwijs

Nu zeker is dat Jan de oorlog niet heeft overleefd, moet Lies een nieuw perspectief in haar leven vinden. Ze bouwt een carrière op in het Buitengewoon Lager Onderwijs en is betrokken bij de voorbereidingen voor de Wet op het Buitengewoon Onderwijs. Daarnaast werkt zij vrijwillig in tal van gemeentelijke commissies en maatschappelijke organisaties.
Vijfentwintig jaar later, begin jaren zeventig, betaalt ook Lies de tol voor haar harde werken, waarin zij het verleden probeert te vergeten. Haar gezondheid is dusdanig slecht dat zij wordt afgekeurd.
Op 67-jarige leeftijd trouwt Lies met de politicus Henne Hahn. Als zijn echtgenote komt zij achter de schermen van de Europese politiek. Zij zijn gelukkig, tot Henne overlijdt. Meer en meer raakt Lies er van overtuigd dat het verzet in de oorlogsjaren niet voor niets is geweest. Sinds 1945 zijn in Europa geen conflicten meer gewapenderwijs beslecht.

Herinneringen aan mijn Jan

In het najaar van 2003 gaat Lies haar herinneringen aan Jan opschrijven. In één van de hoofdstukken beschrijft zij de dag, waarop het zestig jaar is geleden dat Jan is gefusilleerd:

22 augustus 2004
Het is vandaag zondag.
Het is vandaag 60 jaar geleden.
Waarom, waarom ben ik zo vroeg wakker geworden? WaaroDie nachtmerrie, die nachtmerrie, die maar een fractie van een seconde duurde. Wat een gruwelijk gezicht. Daar kwamen ze uit hun cel. Alle drie en twintig. Werden ze er nu al uitgeroepen? Het is pas half vijf. Nee, dat geloof ik niet. Niet zo vroeg. Ik moet weer gaan slapen. Ik voel me uitgeput. Ik soes weer weg en word anderhalf uur later weer wakker. Maar dat gruwelijke beeld, dat 60 jaar geleden in werkelijkheid plaats vond, is er meteen weer. Tegelijkertijd alle beelden die die bewuste dag nog zullen volgen. Dit zal niet meer over gaan vandaag. Ik ben zo hopeloos alleen. En ik val weer in slaap. Gelukkig. Na het opstaan, aankleden en medicijnen voor mijn hart innemen, zit ik tenslotte op de bank mijn boterham met kaas te eten. En dan begint het weer. Ik word als het ware gedwongen op de klok te kijken. Het is half tien. O Jan, is het waar? Is het waar, wat mijnheer Thobokholt in Groningen mij in juli 1945, dus na de bevrijding, vertelde? Hij is naar Duitsland vervoerd en wel teruggekomen.

Hij vertelde me, dat jullie ’s morgens vroeg uit de cel geroepen werden. Ik zie het in gedachten gebeuren. Je bent nog maar vijf dagen in Vught, in de bunker. En elke dag heb je anderen horen afroepen en geweten, wat dat betekende. Je hebt geleefd tussen hoop en vrees. De geallieerden waren vlakbij. Het geschut aan het front was duidelijk te horen.
Elke dag, elke dag, de hele dag. Dat betekende: de bevrijding is dichtbij. Wanneer zullen de bevrijders er zijn? Zullen ze op tijd komen? Hoeveel kans denk je, dat je nog hebt? Wanneer ben jij aan de beurt. Want niet alleen dat geschut is spannend maar ook elke dag, als er zware voetstappen over de gang gaan.
Welke deur gaat open? Wie wordt geroepen? Met grote angst luister je met al je kameraden van groep K uit Groningen, met Hessel, Cees, Frits en degenen die er ook bij waren, luister je naar de voetstappen. Ze komen dichterbij, nog meer dichterbij. Ze zijn vlakbij. Het is niet om uit te houden. Angst, waanzinnige angst. Ze zijn er en gaan voorbij.

Maar deze keer niet.
Ik hoor ze je naam roepen: Johannes, Adrianus van Benthem. Of alleen maar je nummer. Ik denk dit laatste. Je bent immers alleen nog maar een nummer! Naamloos! Je hebt geen naam meer.
Volgens Thobokholt moest je je uitkleden en werd je evenals je kameraden naakt naar buiten gejaagd. Je was alle vijf dagen opgesloten zonder ventilatie. Hoge vensters, met bakken ervoor om te verhinderen dat je naar buiten kon kijken. Zo kwam je op de binnenplaats. Allemaal met de neus tegen de muur.
Niet spreken, niet fluisteren, niet opzij kijken, wat trouwens niet eens kan, als je stevig met je neus tegen de muur moet blijven staan en niet bewegen. Niet met handen, niet met voeten om even een voet te verschuiven.
Die dag herinner ik me nog als een prachtige zomerdag. Erg warm. Ik zie je staan, Jan. Ik kan geen oog van je afhouden. Met een kaalgeschoren hoofd in de felle zon. En ik weet dat je dat niet volhoudt. O Jan, ik weet wat je nog meer te wachten staat. Deze dag is het einde.

Vanavond, dat weet je, sta je dus voor het vuurpeloton.

Heeft Thobokholt me wel de waarheid gezegd? Ik zei tegen hem, toen hij me van het staan tegen de muur vertelde “Hoe weet je dat?” Hij antwoordde, dat hij het met eigen ogen had gezien. Waarop ik zei, dat er grote bakken voor de vensters zaten, dus dat hij het niet gezien kon hebben. En anderen ook niet.
“Jawel”, zei hij. “We konden om de beurt kijken. De één ging met zijn rug tegen de muur staan en liet een ander op zijn handen staan om over de bak heen te kijken.”
Jullie stonden aan de overkant op de binnenplaats, zodoende kon hij jullie zien. Hij heeft ook enkelen van jullie herkend. Hoewel het moeilijk is om naakte mensen met een kaal hoofd met hun rug naar je toe, te herkennen.
Intussen is deze zondagmorgen gewoon doorgegaan. Het is koffietijd, dus drink ik een kopje koffie. Ik ben wat rustiger. En ik ga op mijn zeventien meter lange balkon mijn verplichte wandeling maken. Tussen bloembakken en over groene matten. Maar ik haal vandaag de vijf minuten niet. Het worden er maar twee. Dat betekent: rustig blijven zitten vandaag. Niet te veel in beweging. Mijn hart heeft de handen vol genoeg aan emotie. Ik word gewoon gedwongen om deze hele dag toeschouwster te zijn. Het is nu twaalf uur.

En jij staat daar nog.
Zonder ontbijt, zonder drinken, in dezelfde houding. Hoe kan dat? Hoe is dat mogelijk? Met achter je die twee heen en weer lopende SD’ers, die je slaan of je een andere por geven, als je bijna, eigenlijk niet meer staan kan. Je kan je neus niet snuiten. Je kan niet naar het toilet. Toilet? Weet je nog wat dat is? Je moet het al twee en een halve maand met een gemeenschappelijk emmertje doen. En Jan, ben je wel een beetje in orde? Misschien ben je nog gewond van die mishandeling van Kotälla in Amersfoort. Waar denk je aan? Je neemt in gedachten van ons allemaal afscheid. Je denkt aan het mooie leven, dat er voor je klaarstond. Aan onze dromen, die nu zo wreed verstoord worden. Wat is het, om geen hoop meer te hebben? Je denkt vast en zeker aan onze laatste avond samen. Aan het gesprek, wat we gevoerd hebben. Hebben we toen al een beetje afscheid van elkaar moeten nemen? We hebben dit toen allebei voorzien. We wisten toch hoe het op het Scholtenshuis toeging en in het Huis van Bewaring? We wisten toch wie en wat Kotälla in Amersfoort was? En we wisten allebei ook, dat we behoorden tot een verzetsgroep waarvan alle leden het allerergste konden verwachten. Dat het in aantocht was. En we konden er niet voor weglopen, niet vluchten voor het verraad. En toch leven en hoop en verlangen koesteren of er niets zou kunnen gebeuren.

En nu, Jan?
Ik beleef vandaag als het ware die dag. En ik weet niet eens of het echt waar is, maar mijn verstand en gevoel zegt dat het wel echt waar is. Waarom heb ik vorig jaar voor het eerst op TV precies gehoord wat Kotälla heeft uit gekuurd tijdens die grootschalige mishandeling, waardoor jij ziek en/of gewond raakte en volgens een smokkelbericht door Hessel verpleegd bent? Een medemishandelde van toen vertelde het. Kotälla heeft met zijn grote laarzen en een paar “kettingen” in zijn handen, terwijl jullie allemaal op de grond moesten liggen, stijf tegen elkaar aan op je rug, op jullie staan trappen en slaan als een uitzinnige……. Heel Amersfoort fluisterde toen. En nu zie ik je daar staan. Het is nog maar twee en een halve week geleden, dat je gewond raakte.

Wat duurt deze dag lang. Ik ben niet meer zo mobiel en moet dus in huis blijven. Tijdens mijn middagslaapje is het net of mijn gedachten doorgaan. Dat is natuurlijk niet waar. Ik heb heus wel een poosje geslapen. Maar je valt langzaam in slaap en je wordt ook langzaam wakker. En ik weet niet, hoe het met je is. Of je nog staat. Zonder eten en drinken. Steeds in dezelfde houding. Neus tegen de muur. En anders doen “zij” het wel. En hoe! Hoe hardhandig!
Dit hele scenario is niet te geloven. Is niet mee te voelen. Of juist nu wel? Je gedachten, Jan. Je gedachten. Ik huil. Hoe lang moet dit nog duren? Deze doodsstrijd. Dit afscheid van het leven. Ik kijk er naar. Alsof ik er in werkelijkheid bij ben.
De tijd gaat door. Over een paar uur worden jullie in de vrachtwagen gejaagd. En ik kijk. Blijf kijken. Net als bij ons afscheid in het Huis van Bewaring. Maar nu zie ik steeds maar je rug. Als het waar is, dat je nog kunt staan. Thobokholt zei dat het waar is.
Ik kan niet eten of drinken. Ik wacht en denk aan ons samen, toen. De uren gaan voorbij. Het is zover. De vrachtwagen komt door de poort. Hoe komen jullie in vredesnaam erin? Moet je erin springen, klimmen, duwen? Of word je, als het niet lukt, erin gegooid? Waarom ook niet. Ze doen het graag. Ik weet waar je heen gaat. Ik heb het in 1971 zelf gezien. Jouw gang van Amersfoort naar Vught heb ik toen nagedaan, voor zover mogelijk. Van station Vught lopen naar het kamp en door het bos naar de fusilladeplaats. Ik was er helemaal alleen. En zag het. De schietbaan, met aan ’t eind het Monument. Als kinderen gingen mijn broertje en ik lopen naar de militaire schietbaan in de bossen bij Ermelo. op zondag. Samen met volwassen familieleden. Dan zochten we bij de zandheuvel, waarvoor de schietschijven op een rij stonden, naar patroonhulzen. Wie de meeste kon vinden. Datzelfde zie ik nu in Vught. Daar gaan jullie nu heen. Nu zijn jullie de schietschijven. Meer niet. Daar sta je. Zonder blinddoek. En je ziet halverwege de baan de mitrailleurs staan. En ik zit hier, 60 jaar later, roerloos. De minuten gaan voorbij. Nog even. Mijn klok tikt door. En speelt het eerste kwartier.

20.15 uur. Het is gebeurd.
Dat is de enige waarheid.
Dag Jan!
Rust in vrede, evenals je lotgenoten.

Ik denk aan het gedicht waar we zo van hielden en wat jou zoveel moed en kracht gaf om te doen wat je doen moest. Ik zal het mijn leven lang in ere houden:
Het leven is geen vreed’alhier,
Geen wapenstilstand vragen.
Het leven is de krijgsbanier
Tot in Gods handen dragen.

Guido Gezelle

Jaarlijks wordt op 4 mei in Nationaal Monument Kamp Vught een herdenking gehouden. Op 4 mei 2006 is Lies daarbij aanwezig, vergezeld door de familie van Jan en haar eigen familie. Lies spreekt tijdens de herdenking een overdenking uit. Daarmee neemt zij officieel afscheid van Jan, op de plaats waar zijn asresten zijn begraven.

Staverden

Lies overlijdt op 2 augustus 2013. De uitvaartplechtigheid wordt gehouden in Kapel Staverden, waarna zij wordt begraven op de begraafplaats achter de Kapel. Naast het graf van haar ouders en in de omgeving waarin ze is opgegroeid.

Bronnen: